Home

IB - Lijfrente bedongen als tegenprestatie voor overdracht onderneming aan BV.

 

Den Haag -  De staatssecretaris licht toe waarom hij zijn cassatieberoep hierover heeft ingetrokken.

A is tot 1 januari 1997 als zelfstandig medisch specialist onderworpen aan de inkomstenbelasting. In december 1996 tekenen A en zijn echtgenote een voorovereenkomst ter oprichting van een BV, waarin de praktijk zal worden ingebracht. In de oprichtingsakte staat dat A het recht heeft om ten laste van de creditering een lijfrente te bedingen. De stakingswinst bedroeg € 158 000. De tegenprestatie bestond uit aandelenkapitaal (€ 20 000) en een creditering (€ 314 000). Eind 1999 bedingt A een lijfrente; koopsom € 66 000. Ter voldoening van die koopsom sluit hij een lening bij de BV.

Het geschil spitste zich toe op de vraag of de lijfrente is bedongen voor de overdracht van de onderneming (art. 45, lid 7, onderdeel a, ten tweede IB 1964).

Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Voor de aftrek van een bij de inbreng in een BV bedongen lijfrente is vereist dat er enig verband bestaat tussen de overdacht van de onderneming enerzijds en de lijfrenteovereenkomst anderzijds. Genoemde wetsbepaling eist niet dat de verschuldigde premie moet zijn voldaan via overdracht van vermogensbestanddelen van de onderneming.

De staatssecretaris licht toe waarom hij zijn beroep in cassatie intrekt, zie onderstaande doorklik.

Toelichting staatssecretaris van 26 augustus 2005, nr. DGB 2005-4490 n.a.v. intrekking beroep in cassatie,42.313 

 

Bron: ANP

Terug naar Nieuwscategorie Belastingen

| Algemene voorwaarden | Privacy statement | Disclaimer | ©2006 Regicon B.V.