Home

LB: Wetsvoorstel aanvullend overgangsrecht fiscale behandeling pensioen.

 

1: De Raad adviseert het tarief af te stemmen op de heffing over de rentecomponent in het bovenmatige deel van de pensioenuitkeringen.

Het eindheffingstarief dat bij het aanvullende overgangsrecht wordt opgenomen, is 52%. Deze 52% is – zoals de Raad terecht opmerkt - zodanig vastgesteld, dat de heffing gelijk is aan de heffingen die bij werkgever en werknemer samen gemiddeld genomen zouden plaatsvinden, als dit bovenmatige deel in 2006 als loon aan de werknemers zou worden uitgekeerd. Op deze manier heeft het aanvullende overgangsrecht grosso modo geen gevolgen voor de met betrekking tot het jaar 2006 ingeboekte belasting- en premieopbrengst. Bij een lager tarief zou dit niet het geval zijn. De door de Raad terecht genoemde omstandigheid dat ook de latere uitkering wordt belast, leidt op termijn weliswaar tot een opbrengst, maar heeft geen invloed op de in 2006 te realiseren belasting- en premieopbrengst. Het door de Raad genoemde alternatief zou in 2006 derhalve tot een budgettaire derving leiden. Een lager tarief zou er daarnaast toe leiden dat werkgevers en werknemers die de pensioenregeling niet tijdig hebben aangepast in 2006 gunstiger worden behandeld dan werkgevers en werknemers die de pensioenregeling wel tijdig hebben aangepast. In situaties waarin de regeling wel is aangepast, zal het deel van het bedrag dat voorheen werd verstrekt in de vorm van een onbelaste pensioenopbouw voortaan veelal worden uitgekeerd als belast loon. Zoals aangegeven zou de gemiddelde belasting- en premieheffing die bij werkgever en werknemer samen over dit bedrag zou plaatsvinden in totaal ongeveer gelijk zijn aan 52%.

De Raad stelt dat het tarief van 52% te verdedigen is wanneer de uitkeringen die in de toekomst voortkomen uit het in 2006 opgebouwde bovenmatige deel niet belast zouden worden in box 1. Een dergelijke aanpassing van het overgangsrecht zou een forse toename van de administratieve lasten betekenen. Dit zou namelijk betekenen dat bij alle bovenmatige pensioenaanspraken voor de hele looptijd van de pensioenregeling (dus in bepaalde gevallen zelfs meer dan 40 jaar) een onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen enerzijds het bovenmatige deel van de aanspraak en de daaruit voortvloeiende uitkeringen en anderzijds het (ook zonder het overgangsrecht) fiscaal zuivere deel en de daaruit voortvloeiende uitkeringen. Het onbelast laten van de uitkeringen uit het bovenmatige deel zou de uitvoering van het overgangsrecht derhalve aanzienlijk compliceren. Omdat bij de vormgeving van het aanvullende overgangsrecht veel belang is gehecht aan de uitvoerbaarheid van dit overgangsrecht, heeft het kabinet niet gekozen voor de bovengenoemde vormgeving.

2: De Raad adviseert de gevolgen van het niet-tijdig aanpassen van bestaande pensioenregelingen niet éénzijdig op de werkgevers te leggen.

Het kabinet heeft ervoor gekozen om bij wijze van overgangsrecht aan werkgevers een eindheffing op te leggen over het bovenmatige deel van de aanspraken die op grond van niet-tijdig aangepaste pensioenregelingen in 2006 worden opgebouwd, in plaats van de toepassing van de reguliere loonheffing per werknemer. Deze keuze is met name ingegeven door de wens van het kabinet om in 2006 de gevolgen van de omstandigheid dat een pensioenregeling niet tijdig is aangepast zoveel mogelijk te beperken voor de desbetreffende werknemers. Verder maakt de keuze om de heffing bij de werkgevers te leggen het aanvullende overgangsrecht eenvoudiger uitvoerbaar, aangezien de werkgever in dat geval voor het totaal van de bovenmatige pensioenaanspraken van al zijn werknemers ineens eindheffing kan afdragen. Een heffing hiernaast per werknemer zou – ook indien zoals door de Raad gesuggereerd hierbij gebruik gemaakt zou mogen worden van de rekenhulp - administratief beduidend bewerkelijker zijn. Hiervoor zou per individuele werknemer bepaald moeten worden welke aanspraken ontstaan en welk deel daarvan – op grond van de rekenhulp - bovenmatig is en zou in de loonadministratie voor elke werknemer de hieruit volgende heffing moeten worden verwerkt.

De heffing bij de werkgever betekent overigens niet dat werknemers geen belang meer zouden hebben om mee te werken aan het aanpassen van pensioenregelingen. Met ingang van 1 januari 2007 geldt het aanvullende overgangsrecht zoals dat in artikel 38h Wet op de loonbelasting 1964 wordt voorgesteld, niet meer. Voor de opbouw die op of na die datum plaatsvindt, geldt weer het normale regime. Als dan nog opbouw plaatsvindt in een pensioenregeling die niet binnen de fiscale begrenzingen blijft, worden alle aanspraken die tot dan toe zijn opgebouwd – dit kan dus zijn de opbouw van vele jaren - op grond van artikel 19b Wet op de loonbelasting 1964 ineens belast bij de werknemer. Ook de werknemer heeft er hierdoor een belang bij dat de pensioenregeling in 2006 wordt aangepast. Bovendien zullen werkgevers de eindheffing die op grond van artikel 38h Wet op de loonbelasting 1964 wordt afgedragen waarschijnlijk geheel of ten dele ten laste laten van komen van de gehele loonsom, waardoor de loonruimte voor werknemers zal worden beperkt. Gelet op het bovenstaande blijven ook werknemers – anders dan de Raad stelt - derhalve niet helemaal buiten schot. Alles afwegende is het kabinet daarom van mening dat de gekozen vormgeving werknemers wel degelijk prikkelt om mee te werken aan een tijdige aanpassing van pensioenregelingen.

3. De Raad stelt voor om geen eindheffing op te leggen in situaties waarin pensioenregelingen in 2006 zodanig worden aangepast dat een mogelijke bovenmatige aanspraak wordt “uitgemiddeld”. Het voorstel van de Raad houdt in dat het mogelijk zou zijn, dat een pensioenregeling waarbij begin 2006 nog bovenmatige aanspraken ontstaan, in de loop van 2006 wordt aangepast op een dusdanige wijze dat er in totaal in 2006 geen aanspraken ontstaan die bezien vanuit de Wet VPL bovenmatig zijn. Mede gezien de opmerking van de Raad dat in dit kader bezien zou moeten worden of en in hoeverre een aanpassing van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (hierna: PSW) vereist zou zijn, gaan wij ervan uit dat dit voorstel mede inhoudt dat pensioenregelingen met terugwerkende kracht kunnen worden gewijzigd.

Een mogelijkheid van wijziging van pensioenregelingen met terugwerkende kracht zou betekenen dat de aanspraken die worden opgebouwd ook met terugwerkende kracht gewijzigd kunnen worden. Een werknemer zou hierdoor een deel van de aanspraken die hij in het begin van 2006 op grond van zijn pensioenregeling heeft opgebouwd, alsnog ‘kwijtraken’. Dit voorstel van de Raad voldoet hiermee niet aan het door het kabinet geformuleerde uitgangspunt dat reeds toegezegde aanspraken niet kunnen worden teruggenomen. Dit uitgangspunt van het kabinet hangt samen met het feit, dat het terugnemen van reeds toegezegde aanspraken in strijd is met de bescherming die werknemers genieten op grond van de PSW. De door de Raad geopperde aanpassing van de PSW zou een dusdanig principiële inbreuk betekenen, dat een dergelijke uitzondering naar de mening van het kabinet voor dit doel niet te rechtvaardigen is. Alles afwegende zijn wij van mening dat het in het wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht een meer evenwichtige oplossing biedt voor de problematiek bij niet-tijdig aangepaste pensioenregelingen, dan het voorstel van de Raad.

 

Bron: Ministerie van Financiën

Terug naar Nieuwscategorie Belastingen

| Algemene voorwaarden | Privacy statement | Disclaimer | ©2006 Regicon B.V.